Opening tentoonstelling Marten Melsen
16 april 2003, Lillo
Mevrouw de Burgemeester,
Mijnheer de Voorzitter van het Poldermuseum,
Geachte bestuursleden,
U allemaal, bewonderaars van Marten Melsen,
Ten zeerste ben ik vereerd dat ik hier vandaag deze tentoonstelling mag openen. Daar zijn twee bijzondere redenen voor:
1) ik weet welk waardevol schilder Marten Melsen is en heb dan ook veel waardering voor zijn talent. Telkenmale ben ik blij met zijn werk beter kennis te mogen maken.
2) Tevens besef ik welk bijzonder huis dit Poldermuseum is. Het is het collectief geheugen van mensen die van een streek en van dorpen houden, die op een dag opgehouden hebben te bestaan.
Laat me daarom eerst – en bij wijze van inleiding - enkele minuten verwijlen bij dit huis, bij dit Poldermuseum.
Bij velen onder ons leeft nog een sterk heimwee naar de Scheldedorpen van vroeger: naar Oosterweel, Oorderen, Wilmarsdonk en Lillo. De uitwijkelingen lieten niet alleen hun huizen - in veel gevallen ook hun landerijen, hun landbouwgronden - achter, maar ze vertrokken ook uit een dorpsgemeenschap die sterk met mekaar verbonden was. Men noemde er mekaar met de voornaam, omdat de mensen mekaar nog kenden. Men leefde er mee met mekaar. De dag dat de kerk van Lillo omkantelde, en de huizen errond gesloopt werden, is er veel menselijkheid en gezelligheid dood gegaan.
Ikzelf ben geboren in Kapellen. Dat is al geen Polder meer, maar daar waren ook dezelfde dorpse trekken in te herkennen. Ook daar zaten de mensen nog bij valavond buiten op het trottoir, terwijl ze wiegden op de leuning van een omgedraaide stoel die ze op den dorpel hadden buitengezet. Er werd samengeschoven, er werd gebuurt. Het TV-scherm dicteerde toen nog niet de avondlijke gezelligheid. De mensen vonden die samen uit.
We zijn er ons sterk van bewust welke tol deze gemeenschappen van aan de oever van de Schelde, hebben betaald aan de vooruitgang.
Dit Poldermuseum is daarom zo buitengewoon. Stel u voor dat u hier nog een intact gebleven schoolklas kunt zien, zoals die meer dan 50 jaar geleden was, of een snoepwinkeltje van toen, of een café, weliswaar zonder bier, of een grote ambachtenkamer over beroepen waarvan er een deel al lang niet meer bestaan. Er werd zopas zelfs een lijkwagen van meer dan 100 jaar oud aan deze verzameling toegevoegd. De 34 kamers van dit museum zijn daarom het gezamenlijk geheugen van dit volk van eertijds, van deze boerendorpen aan de Schelde.
We mogen pastoor Eelen van Wilmarsdonk dankbaar zijn dat hij in 1958 dit museum in Wilmarsdonk begon en het in 1963 naar Lillo liet overbrengen. Sindsdien is het sterk uitgegroeid door de bezieling van voorzitter graaf Daniël Le Grelle, van ondervoorzitter Frans Ijzermans, van secretaris en peningmeester Kees Van der Goten, van conservator René van Bosstraeten en van zijn adjunct Otto Hessen. Dat u jaarlijks meer dan 5000 bezoekers over de drempel krijgt, bewijst dat het een levendig en gewaardeerd museum is.
Daarom ook is het zo zinvol dat er hier vandaag een tentoonstelling start met werken van Marten Melsen, die al tijdens zijn leven de - uitmuntende - schilder van het boerenleven werd genoemd.
Van Marten Melsen gaat een artistieke bekoring uit en ook een menselijke warmte, die veel rijker, dieper en ruimer is dan de financiële waardering die zijn werken vandaag nog halen bij een gereputeerde galerij als bijvoorbeeld Campo in Antwerpen.
De ouderen onder u herinneren zich zeker nog de in 1947 overleden Marten Melsen. De jongere generatie kan - gelukkig - nog altijd bekoord worden door de kunstige kwaliteit van zijn werken. Maar die gelegenheden tot kennismaking lijken me constant af te nemen. Want wanneer er vandaag in een galerij een Melsen geveild wordt, groeit er bij veilingbezoekers een koortsig koopgevoelen. En terecht. Iedere kunstminnaar heeft wel graag een Melsen in de huiskamer. Bijgevolg lijkt het me dat er te weinig werken van Melsen in publiek bezit zijn. Daardoor worden de kennis en de waardering van het werk van Melsen mettertijd té beperkt toegankelijk.
Wanneer we dan vaststellen dat de nakomelingen van Marten Melsen, voornamelijk de twee zusters Nathalie en de nog niet zo lang geleden overleden Cécile, het woonhuis en het atelier nog als het ware volmaakt hebben bewaard zoals in de tijd van toen hij er zelf nog was, dan bekruipt me de gedachte en de vraag : waarom hier mettertijd geen stichting en geen blijvend museum inrichten , waar ieder vrij kan binnenkomen.
Daarom is het ook zo te waarderen dat Marten Melsen een kleinzoon heeft, Jan Melsen, - hij is vandaag hier bij ons- die een grote gedrevenheid en een grote bewondering koestert ten aanzien van dit artistiek werk en deze artistieke boodschap. Jan Melsen inventariseert alle werken, maar beseft ook wel degelijk welke waarde ze hebben, welke boodschap er nog altijd van uitgaat.
Wellicht is hij ook de persoon die ook zulke stichting kan sturen. Ik hoop het oprecht.
Dames en heren,
Goeie vrienden van de Polder en elders,
wie is deze Marten Melsen ?
Laat me toe, in die enkele minuten dat ik hier het woord mag voeren, toch te pogen een beeld van hem te schetsen en de geest op te roepen die hem bezielde en die door zijn penseeltrekken tot leven komt.
Marten Melsen werd op 11 juli 1870 in Brussel geboren. Wie niet vertrouwd is met Melsen, zal zich bijgevolg de vraag stellen: hoe komt Marten Melsen dan wel ooit in Stabroek, in de polder terecht ?
Welnu, zijn vader Adriaan Melsen was afkomstig van Ossendrecht en zijn moeder Julie Cleiren stamde uit het gehucht Oud-Broek bij Ossendrecht. Het was een boerengeslacht. En doordat vader en moeder Melsen op een dag met een kudde schapen naar de Belgische hoofdstad trok om er vervolgens een schapenslachterij op te zetten, werd Brussel de geboorteplaats van Melsen.
Laat Melsen dan in Brussel geboren zijn, zijn wortels lagen in Brabant, in het volkse landbouwgebied tussen Antwerpen en Bergen op Zoom. Hij is er vaak terug geweest, hij kwam er met vakantie in Woensdrecht, reed er rond met de fiets en maakte er kleine schilderijtjes met koeien, waarvan er door zijn dochters nog bewaard worden in het ouderlijk huis, - zo heb ik me laten vertellen.
Tenslotte koos hij als 26-jarige, - dat was in 1896, - voor Stabroek als vestigingsplaats. Melsen paste daarmee in de trend die vele kunstenaars op het einde van de 19de eeuw dreef en bewoog : de vlucht van de stad naar het platteland. Dat was een typisch “fin de siècle”-verschijnsel. Kunstenaars verlieten de stad en kwamen naar het platteland afgezakt, om daar een ongerepte natuur, rust, stilte, de eenvoud en liefst de onbedorvenheid van de buitenmens te vinden.
Marten Melsen kwam niet met lege handen naar Stabroek. Hij had als kunstenaar een flinke bagage mee. Eens Marten besloten had dat hij schilder wilde worden, vond vader Adriaan Melsen dat zijn zoon een goede opleiding moest krijgen, zodat er later voor zijn gezin brood op de plank zou komen. Toen Marten 18 jaar was, schreef vader Melsen hem in bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Brussel.
Marten zou er zeven jaar lang dag- en ook avondlessen volgen.
Bovendien had Marten Melsen een open kijk op de kunstwereld en de kunstrichtingen van toen. Na de bloei van het romantisme in de eerste helft van de 19de eeuw in Antwerpen, was Brussel de toonaangevende kunststad van het land geworden. Alle nieuwe kunststromingen die uit Parijs kwamen - en dat waren er vele in de laatste decennia van de 19de eeuw, werden te Brussel door een aantal jonge schilders enthousiast onthaald. Het realisme was er stevig ingeburgerd, toen Marten Melsen aan zijn opleiding begon. Uit het realisme groeide het impressionisme, dat vertrok van een helder palet en van kleine toetsen, zo levendig gebruikt door bijvoorbeeld de Franse schilder Claude Monet of de Oostendenaar James Ensor. Melsen moet in Brussel net zo goed de tentoonstellingen hebben gezien van de luministen, bijvoorbeeld van Emile Claus met zijn zonovergoten landschappen, waar oker en geel de boventoon aangaven.
Daarachter kwam als in een artistieke stoeterij het symbolisme, - en dan de kracht van het expressionisme, waarin Permeke zo uitblonk, wanneer hij de boeren schilderde, - donkerbruin als de aarde en met handen als schoppen.
Al deze dingen moet men weten, wil men Marten Melsen artistiek kunnen begrijpen. Men vindt ze in zijn doeken fragmentair terug. Elke kunstenaar is immers een kruispunt van al wat rond hem beweegt en leeft, - tenminste als hij open ogen en een ontvankelijk hart heeft zoals Melsen zelf.
Maar er was meer dat Marten Melsen bewoog: hij was door het buitenleven gegrepen, hij hield van de plattelandsmensen. Hij ridiculiseerde ze niet, zoals stedelingen vaak deden. Melsen had waardering voor hun levenswijze, voor hun samenlevingspatronen. Hij kon er de kleine kanten van vergoelijken.
Hij maakte ze nooit belachelijk.
Burgemeester Alida De Bie van Stabroek heeft enkele jaren geleden een beeld van Marten Melsen ingehuldigd dat op een fraaie sokkel staat voor het gemeentehuis van Stabroek. Het is een werk van de begaafde kunstenaar Leopold Van Esbroeck, die het al in 1976 boetseerde en nadien in brons goot.
Marten Melsen staat er bijna levensgroot, de handen in de broekzakken, een kortgeknipte baard, een mooie karakter-kop. Het lijkt een zachte, lieve man te zijn, iemand die het leven waarneemt om het nadien te vertolken in potloodschetsen en in olieverven.
Deze man houdt ervan het uitbundige leven te beloeren, het feestende volk, vaak de melancholische mens, - en staat er zelf wat filosofisch bij. Hij staat op zijn sokkel monkelend naar zijn wereld te kijken. Wie een paar minuten naar het beeld kijkt en er stil bij kan worden, krijgt er het gevoelen met Melsen te kunnen praten, in zijn denkwereld te kunnen binnenstappen.
Wat is die wereld ?
De Vlaamse schrijver Emmanuel De Bom is de eerste geweest die Marten Melsen een “olijke boerenschilder” noemde. En toch bleef hij verbonden met de grote kunstrichtingen en andere toonaangevende kunstenaars van zijn tijd. Daarom reed hij bijvoorbeeld vaak - met de fiets nog wel - naar Oostende om er te buurten en te praten met James Ensor Hij onderhield banden met de school van Latem en met veel andere kunstenaars.
En net zoals zij werd hij de artistieke getuige van het leven rond zijn woonhuis, rond het “ ’t Vossevelt”. Hij leefde oprecht mee met de mensen in zijn brede omgeving, nabij en ver over de grens met Nederland heen. Hij deed zoals De Saedeleer, Van de Woestijne en Servaes in Sint-Martens-Latem.
In veel schilderijen schuilt er een milde lach, waarmee Melsen op zijn beurt het plezier en de vele fijne kanten van de plattelandsbevolking van die tijd, kon weergeven. Maar het was altijd een weergave zonder de kleine man te kleineren. Het was: houden van.
Marten Melsen is een eigentijdse zedenschilder zoals een Boerenbreughel, een Adriaan Brouwer of een Jan Steen.
Hij tekent en schildert de lawaaierige-uitbundige taferelen zoals Breughel, de sappige anekdoten van Jan Steen, en de volle, vettige vrolijkheid van Adriaan Brouwer.
Houden van : dat was Marten Melsen.
Het laatste werk van Marten Melsen dat onder de veilinghamer passeerde,werd verkocht bij galerij Campo, - nu enkele weken geleden. Het werd gekocht door een uitgeweken Stabroekenaar. Het beeldt de koers van Putte uit, de sluitingsprijs, - een sfeer van pezige coureursbenen, de drukte van een klein peleton wielrenners, de kleine huizen die nog tegen de straat opgedrongen staan, en je kunt er zo de geur van frieten en van smoutebollen bij fantaseren.
Er is zoveel liefs en volks bij Marten Melsen: de Dorpsboemelaar die lijkt te zwaaien, de Zingende Boeren, Mie Pot en Jef De Nijn.
Er is de tederheid en de innigheid van een Moeder met Kind en van het Zonnig Huisje, taferelen van bij hem thuis, van in het Vossevelt.
Tederheid, innigheid en vaak melancholie: dat was trouwens de laatste periode van Melsens rijkgevuld leven.
Ik denk aan een gedicht dat
“Er was eens,
een dorpssmid,
een elektrieken tram,
een vader met een vuile werkkiel,
pannekenhaken in de sloot,
een huishouden van zes met een lieve moeder,
een besnorde veldwachter,
een klokketoren met
een angelus van drie keer per dag,
boerevolk met zwartzandige
en kromgewerkte vingers,
een dorpsschool met
geklepper van houten blokken,
een hoogmis van wierook en brokaten kazuifels,
lekkende bierkranen op zondag
en een koperen fanfare.
Er was eens,
mijn dorp en mijn polder
- mijn land van melk en honing.
De vriendschap bleef.
Veel, veel langer”.
Dames en heren,
Dat zijn de dingen waaraan ik vandaag weer denk, hier bij de opening van deze tentoonstelling van portretten door Marten Melsen. Laten we samen genieten van het rijke talent van deze schoonmenselijke schilder, van zijn kijk op zijn wereld en op de mensen.
Mag ik hiermee deze tentoonstelling voor geopend verklaren.
woensdag 16 april 2003




