Brugge - Studiedag VCM
23 februari 2008,
Toekomstperspectieven voor het religieus erfgoed in Vlaanderen
Geachte aanwezigen
Dames en Heren,
Het VCM- Contactforum voor Erfgoedverenigingen pikt vandaag – samen met het Agentschap RO en het Team van de Vlaamse Bouwmeester – de draad op van wat inmiddels ruim tien jaar geleden (elf om precies te zijn) in de steigers werd gezet: een breed en open maatschappelijk debat over de toekomst van ons kerkelijk erfgoed in Vlaanderen. En dat studiedagen zoals deze van vandaag zeker hun nut hebben, werd ook reeds in 1997 bewezen.
Buiten het feit dat de VCM-ontmoetingsdag anno 1997 het grote voordeel had dat de problematiek rond het kerkelijk erfgoed voor de eerste maal vanuit de erfgoedsector in kaart werd gebracht en bespreekbaar werd gemaakt, vormde de studiedag ook de aanleiding tot de oprichting van het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur. Een kenniscentrum dat momenteel een belangrijke rol speelt bij de herbestemming en de uitbouw van de Parkabdij in Leuven.
En ook op het terrein zijn de resultaten zichtbaar.
In de loop van de jongste tien jaar werd – zij het soms nog wat schoorvoetend – voor verschillende kloosters, abdijen, pastorieën, kapellen en zelfs kerken gezocht naar een nieuwe en vooral gepaste bestemming.
Zo is er bijvoorbeeld de in 2005 tot Onderwijsmuseum omgevormde Sint-Niklaaskerk van Ieper. De eigenheid en ritmiek van het gebouw gaf een meerwaarde voor de museuminrichting. Het schip van de middenbeuk doet dienst als tijdelijke tentoonstellingsruimte en de verschillende traveeën van de zijbeuk vormen afgesloten gehelen, die ieder een aspect van de onderwijsgeschiedenis behandelen. Aan het koor zelf werd niet geraakt.
Ik geef u ook het voorbeeld van Aalst. Daar werd een kapel die tot verdwijnen gedoemd was, gered nadat er op een door iedereen aanvaarde manier een kledingzaak in werd ondergebracht. Nog een ander voorbeeld is de kapel van het voormalige dominicanenklooster in dezelfde stad, die op een respectvolle wijze, en met behoud van de originele en authentieke elementen, werd ingericht tot een eetgelegenheid. Dat gebeurde op zo’n manier dat alle ingrepen reversibel zijn. Mocht de kapel ooit terug kapel moeten worden, dan kan dat zonder probleem.
En ook in mijn eigen gemeente Kapellen werd naast de restauratie van een oude en vervallen pastorij en de herinrichting ervan als cultureel centrum, ook een kerk volledig heringericht als kleine toneelzaal met plaats voor 123 personen. Ook dat gebeurde met heel veel respect voor de eigenheid van het gebouw.
Het mag duidelijk zijn dat zulke voorbeelden inspirerend kunnen werken. Vandaar ook dat er momenteel wordt gewerkt aan de samenstelling van wat ik een voorbeeldenboek noem. Een boek met een bloemlezing van “best practices” uit het binnen- én buitenland.
Goede en tot de verbeelding strekkende projecten inzake de herbestemming van kerkelijk erfgoed, die iedereen die gelijkaardige projecten wil realiseren, kan inspireren en op de goede weg zetten.
Ik hoop nog dit jaar de publicatie te kunnen voorstellen. Als een instrument van ondersteuning dat wordt aangereikt aan de hele erfgoedsector. Maar daar mag en zal het uiteraard niet bij blijven.
Dames en Heren,
De herbestemming van kerkelijk erfgoed in Vlaanderen is een onderwerp dat – zoals u ongetwijfeld ook vandaag kon vaststellen – vele gemoederen beroert. Niet in het minst omwille van de vele ideologische en maatschappelijke gevoeligheden, maar evenzeer omwille van de complexiteit van het onderwerp.
Want wie spreekt over kerkelijk erfgoed, vindt in dit containerbegrip zowel de pastorieën, kleine als middelgrote kapellen, kloosters, kathedralen als kerken terug. Gebouwen met elk hun specificiteit inzake schaalgrootte, structuur van het gebouw, intrinsieke erfgoedwaarde, maatschappelijke gevoeligheden én mogelijkheden tot herbestemming.
En om het nog wat moeilijker te maken zijn er ook nog eens de historisch gegroeide eigendomssituaties die teruggaan tot het concordaat van Napoleon dat avnaf 1802 van kracht werd.
Zo is er een wezenlijk verschil tussen het publiek- en het privaatrechtelijk kerkelijk erfgoed. Met andere woorden tussen het erfgoed dat verband houdt met de erkende eredienst, veelal de parochiekerk en de pastorie, en het erfgoed dat eigendom is van religieuze ordes. Binnen die twee categorieën (het publiek- en het privaatrechtelijk kerkelijk erfgoed) kan de eigendomsstructuur dan ook nog eens behoorlijk verschillen.
Parochiekerken die reeds bestonden voor de Franse Revolutie zijn volgens de meest recente uitspraken van het Hof van Cassatie bijvoorbeeld eigendom zijn van de gemeente. Gaat het om parochiekerken die na het Concordaat van 1801 werden gebouwd of verworven, dan is de eigendom afhankelijk van wie ze heeft gebouwd of verworven of aan wie ze werd geschonken.
Deze complexe situatie zorgt voor ‘speciale’ toestanden. Kerken waar de toren bijvoorbeeld eigendom is van de gemeente en de rest van de kerk eigendom van de kerkfabriek. Bij de pastorieën wordt vaak eenzelfde onderscheid gemaakt.
Voor de kloosters, abdijen of onroerende goederen van orden en congregaties is er dan weer een totaal andere situatie aangezien zij beschikken over een rechtspersoonlijkheid en meestal onder de vzw-reglementering vallen. Bovendien zijn ze ook vaak internationaal georganiseerd.
Tot slot wordt de discussie rond ons kerkelijk erfgoed ook nog mee bepaald door het feit of de specifieke problematiek rond herbestemming verband houdt met het erfgoed als zodanig of dat het veeleer gaat om een globaal maatschappelijk probleem.
Dat is bijvoorbeeld het geval bij de leegloop waar veel kloosters en abdijen mee te kampen hebben, ongeacht het feit of hun gebouw nu beschermd is of niet. Op een gegeven moment wordt een gebouw verlaten, is het niet langer functioneel en moet worden gezocht naar een nieuwe bestemming. Dat is zo voor kloosters en abdijen, maar dat geldt evenzeer voor industriële complexen in de binnenstad.
Ik geef u dit alles even mee dames en heren, om u te schetsen dat het kader waarbinnen we moeten opereren zeker niet eenvoudig is en dat de herbestemming van het kerkelijk erfgoed een bijzonder complex gegeven is.
In die mate zelfs dat we de discussie niet moeten voeren op basis van louter ideologische gronden waarbij men al naargelang de eigen geloofsovertuiging, voor- of tegenstander is van de herbestemming van kerkelijk erfgoed.
Willen we voor deze problematiek een onderbouwde en geloofwaardige langetermijnvisie ontwikkelen en uitbouwen, dan heeft niemand baat bij ideologische discussies. Wel moeten we het erfgoed an sich en de concrete situatie ervan centraal stellen.
Net als bij herbestemmingsvragen voor eender welk ander gebouw, moeten we ook voor kerkelijk erfgoed rekening houden met objectieve factoren zoals de eigendomstoestand, het statuut, de bestemmingsmogelijkheden op het vlak van ruimtelijke ordening, de draagkracht, de intrinsieke erfgoedwaarde, de wil van de eigenaar enzovoort.
Vaak wordt de discussie over de toekomst van het kerkelijk erfgoed echter verengd tot de parochiekerken waarbij vooral dan de link wordt gelegd met de term leegstand.
Voor de kerkelijke overheid komt leegstand overeen met een kerk die niet langer voor de eredienst wordt gebruikt en bijgevolg gedesaffecteerd kan worden. Het aantal kerken dat aan die omschrijving voldoet, is evenwel op één hand te tellen.
Buiten de kerkelijke overheid wordt de term leegstand evenwel vooral geassocieerd met de terugloop van het aantal kerkbezoekers tijdens erediensten. Daarbij rijzen vragen over de opportuniteit van de gemaakte investeringen in functie van het aantal gebruikers of bezoekers. Sommigen pleiten dan ook openlijk voor bijkomende of andere functies voor de kerkgebouwen.
We mogen ook dit debat zeker niet uit de weg gaan. Maar het moet wel sereen worden gevoerd. Wat mij betreft liggen de twee basisprincipes hiervoor vast:
Een debat rond de mogelijke herbestemming of het medegebruik van een kerkgebouw moet uitgaan van de intrinsieke erfgoedwaarde van het gebouw an sich en het moet kunnen stoelen op een voldoende groot maatschappelijk draagvlak.
Ik verklaar mij nader.
Wat betreft de intrinsieke erfgoedwaarde – geheel in de geest van het Burra Charter waarover u reeds vanmorgen toelichting kreeg – kunnen we gerust stellen dat kerken gebouwd werden zijn met een duidelijk en eenduidig doel, namelijk het organiseren van erediensten. Dit impliceert dat de structuur van het gebouw niet zomaar gelijk welke herbestemming of zelfs medegebruik toelaat of mogelijk maakt.
Daarenboven ontleent een kerk ook een deel van de intrinsieke erfgoedwaarde aan de inhoud. In tegenstelling tot pakweg Nederland, bevinden er zich in onze kerken zeer veel cultuurgoederen die er ook onlosmakelijk deel van uitmaken.
Precies door het meubilair, de aankleding, de kunstschatten enzovoor, krijgt het kerkgebouw zijn betekenis, zijn intrinsieke waarde. Dus ook de inhoud kan de mogelijkheden inzake medegebruik of herbestemming bepalen of beperken. In een aantal gevallen moeten we zelfs volop durven ijveren voor volledig behoud, met inbegrip van alle cultuurgoederen die er deel van uitmaken. Pareltjes als de Wintertuin van Onze-Lieve-Vrouw-Waver of de abdij van Bornem zijn zo uniek omwille van het gebouw en de vele cultuurgoederen die er specifiek een plaats kregen, dat we inspanningen moeten doen om die zaken integraal ter plaatse te houden en niet te laten opsplitsen.
Daar moeten we ons ten zeerste van bewust blijven. Het is dus niet evident, zoals sommigen zouden willen, om in de zolderruimten van een kerk zomaar woongelegenheden te voorzien. De toegang is vaak een probleem, de structuur is er niet op voorzien,…
Het is evenmin evident om een kerk zo in te richten dat er naast de eredienst ook plaats en ruimte is voor kantoorgelegenheid en dergelijke. In ieder geval zal elke concrete vraag individueel onderzocht moeten worden op de mogelijkheden.
Ook de rol van een breed maatschappelijk draagvlak voor projecten rond kerkelijk erfgoed mag niet onderschat worden. Het kan en mag alvast niet de bedoeling zijn om bij wijze van statement of als vorm van provocatie, functies voor te stellen die moeilijk verenigbaar zijn met de realiteit van een kerkgebouw.
Een kerk omvormen tot een parkeergebouw zoals in Amsterdam gebeurde, is dus géén goed voorbeeld.
Gelukkig kon recent ook iedereen kennismaken met het bijzonder geslaagde voorbeeld van de voormalige Dominicanerkerk van Maastricht, waar volgens een bepaald blad de mooiste boekhandel ter wereld was in gevestigd. Het is een voorbeeld van herbestemming waarbij de architecten zeer goed hebben nagedacht over de realisatie én hun concept, waardoor het voor iedereen aanvaardbaar is.
Een maatschappelijk draagvlak creëren, impliceert betrokkenheid en vooral openheid. Mensen moeten kunnen genieten van én kennismaken mét hun erfgoed. Voor het kerkelijk erfgoed wringt daar nog altijd het schoentje. Teveel kerken zijn nog slechts enkele momenten per week toegankelijk, met name tijdens de erediensten.
Zo is het natuurlijk moeilijk om een draagvlak te creëren.
Gelukkig is stilaan een kentering merkbaar. Ik denk daarbij aan de vernieuwde aanpak van de Antwerpse kerken, die heeft gezorgd voor een toenemend aantal bezoekers. Recent konden we in de pers kennis maken met een initiatief, waarbij vrijwilligers ervoor zorgen zo veel mogelijk kerken opnieuw toegankelijk te maken, zodat ze niet gesloten blijven uit een verstarrende angst voor vandalisme en diefstal.
Bij het uitwerken van het basisdecreet Onroerend Erfgoed, dat in een finale fase zit, wil ik aandacht schenken aan een gepaste manier om de openstelling van het kerkelijk erfgoed na restauratie of herstel te bevorderen. Dat kan bijvoorbeeld door frequente openstelling van kerken na restauratie mee op te nemen in de voorwaarden om voor een premie in aanmerking te komen.
En dat brengt mij tot een laatste punt, of probleem zo u wil. De belangrijkste uitdaging voor het kerkelijk erfgoed op korte termijn is immers niet zozeer het vinden van een gepaste herbestemming, maar wel het onderhoud en de restauratie ervan. En spijtig genoeg hebben in het verleden niet alle kerkfabrieken daar evenveel aandacht aan besteed.
Dames en Heren,
Ons land telt bijzonder veel kathedralen, kerken, pastorieen, kapellen. En ruim eenderde van dat kerkelijk patrimonium is beschermd. Dit impliceert dat we vanuit de Vlaamse overheid ook heel wat geld in het kerkelijk erfgoed stoppen. Tot 2006 was dat ruim 15 mio euro per jaar. In 2007 werd daarenboven een extra budget van 20 miljoen euro vrijgemaakt. Die extra inspanning wordt ook doorgetrokken in de begroting 2008.
Dit impliceert dat er nu jaarlijks 36 mio euro ter beschikking is voor het onderhoud en de restauratie van kerkelijk erfgoed. En dat bedrag vertegenwoordigt de helft van het gehele budget dat jaarlijks aan onderhouds- en restauratiepremies in Vlaanderen wordt uitgekeerd.
Om die inspanningen blijvend te verantwoorden, moeten we in de toekomst beter inventariseren en coördineren. We moeten een langetermijnvisie uitwerken en minder ad hoc tewerk gaan.
We moeten streven naar een soort ‘kerkenbeleidsplan’ waarbij we vertrekkende vanuit een integrale benadering een langetermijnvisie voor het onderhoud van en de toekomst van ons kerkelijk erfgoed uittekenen. En daarbij moeten zowel de Vlaamse overheid als de lokale kerkbesturen hun rol en verantwoordelijkheid opnemen.
Vanuit Vlaanderen zijn de eerste concrete stappen reeds gezet.
Zoals daarnet reeds vermeld, is er de substantiële verhoging van het budget, waarmee we de in het verleden stelselmatig opgebouwde wachtlijsten inzake restauratiepremies volledig moeten wegwerken.
Daarnaast werd recent aan Monumentenwacht Vlaanderen de opdracht gegeven om de toestandsrapporten na inspectie te koppelen aan een kostencalculatie. Deze manier van werken moet ook aan de kerkraden toelaten hun financiële noden en behoeften sneller in kaart te brengen en vooruit te plannen. Monumentenwacht zorgt dus voor de inspectie en maakt de kostencalculatie op korte en langere termijn. Op basis daarvan kan de kerkfabriek de nodige stappen zetten.
Tenslotte is er het nog het basisdecreet Onroerend Erfgoed dat ik ook al eerder kwam te vermelden. Eén van de elementen die worden meegenomen is het verplicht invoeren van de opmaak van een beheersplan voor iedereen die gebruik wil maken van een onderhouds- of een restauratiepremie. In zo’n beheersplan dat bijvoorbeeld al voor lanschappen en varend erfgoed bestaat, wordt als het ware de langetermijnvisie uitgewerkt.
Wat mij betreft is het een basis voor het invoeren van onderhoudsenveloppes. Dit jaar willen we daarrond een proefproject opstarten voor Kunstencentrum Vooruit. Jaarlijks wordt een substantieel bedrag ter beschikking gesteld waarbij binnen het kader van het beheerplan onderhoudswerken kunnen worden uitgevoerd zonder dat hiervoor telkens een dossier moet worden ingediend of machtiging worden gevraagd.
Verder denken we erover om, net zoals dat voor de privé-sector het geval is, de omvang van de onderhouds- en restauratiepremies bij te stellen. In de privé-sector heeft dat er in enkele jaren toe geleid dat het aandeel van de onderhoudspremies sterk is toegenomen ten aanzien van de restauratiepremies.
Daarmee wordt een discrepantie weggewerkt. Vandaag de dag ontvangt een eigenaar of beheerder die zijn erfgoed perfect onderhoudt, een onderhoudspremie die merkelijk kleiner is dan de restauratiepremie voor iemand die die zijn erfgoed jarenlang verwaarloosde.
Het kan immers niet zijn dat men jarenlang ons patrimonium laat verkommeren om dan uiteindelijk het Vlaamse Gewest en de lokale overheden op gigantische kosten te jagen.
Zo’n kerkenbeheersplan op lange termijn, moet dus een verhaal worden van rechten en plichten. Een verhaal waarin ook de centrale kerkbesturen - die recent operationeel werden als nieuwe ‘go-between´ tussen de gemeente en de kerkfabrieken – een belangrijke rol te vervullen hebben.
Geachte aanwezigen,
Dames en Heren,
Vanuit de Vlaamse overheid willen we de hand reiken aan alle actoren die actief bezig zijn met het conserveren en functioneel bestemmen van ons kerkelijk erfgoed. Wij reiken daarbij de knowhow aan en werken de instrumenten uit om tot een soepele subsidieregeling en financiering te komen.
Laat ons dus met een open vizier het debat over de toekomst van ons kerkelijk erfgoed verder aangaan.
Ik dank u
zaterdag 23 februari 2008




