Toespraak Commissie RO
31 januari 2008,
Beste collega’s,
Het ruimtelijk ordeningsbeleid waarvoor ik garant wil staan, wil op een evenwichtige en kwalitatieve wijze ruimte bieden aan alle maatschappelijke activiteiten.
De principes waarop ik mij daarbij baseer, werden reeds in 1997 vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.
Dit wil zeggen dat de uitgangspunten, principes en doelstellingen van het RSV “een open en stedelijk Vlaanderen” blijven gelden.
Het RSV is sindsdien het toetsingskader voor het ruimtelijk beleid in Vlaanderen met een planhorizon van 10 jaar.
Het hoeft niet ontkend te worden dat Vlaanderen bij de implementatie van het RSV op zowel het gemeentelijk, provinciaal als het gewestelijk niveau een sterke leercurve heeft moeten doorlopen.
Deze leercurve had te maken met de beperkte ervaring qua implementatie, beschikbaarheid en inzet van de actoren en administraties. En dit o.a. in zware en tijdsintensieve overlegprocessen enz…
De uitvoering van de planningsprocessen is de jongste jaren versneld.
Heel wat van deze processen zijn inmiddels afgerond.
Zo werden er in de loop van de voorbije jaren bijna honderd (93) gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen gefinaliseerd.
Enkele tientallen (41) zitten in de ontwerpfase.
Er worden dus ook nog steeds tal van acties ondernomen die een vooruitgang van de afbakeningsprocessen van zowel de stedelijke- als buitengebieden bewerkstelligen.
Wat de buitengebieden betreft wil ik even aangeven dat mede op aangeven van dit Vlaams parlement bijkomende afspraken zijn gemaakt rond de afbakening van agrarische en natuurlijke structuur.
Eind december 2007 zijn bijvoorbeeld de procedures bijgesteld voor de zogenaamde derde en vierde reeks van deze afbakeningen.
De timing van het geheel komt dan ook zeer duidelijk binnen de krijtlijnen van deze legislatuur te liggen.
Voor meer details zou ik willen verwijzen naar mijn beleidsbrief voor 2008 en de bespreking in deze commissie op 22 en 28 november 2007.
Ik wil er wel de aandacht op vestigen dat de toenemende regelgeving van bijvoorbeeld sectorale of Europese milieuwetgeving er toe kan leiden dat bepaalde processen qua timing onder druk komen te staan.
Bij dit laatste denk ik onder meer aan de milieueffectenrapportering. Ik bedoel dit niet negatief maar we moeten in Vlaanderen wel opletten wanneer en hoe we bepaalde projecten gerealiseerd krijgen!
Naast het reeds vermelde gewestelijke niveau hebben de provincies en gemeenten in de uitvoering van het RSV de jongste jaren flink wat vooruitgang geboekt.
De kaap van de tweehonderd gemeenten – of anders uitgedrukt 2/3 van al onze gemeenten – die beschikken over een goedgekeurd ruimtelijk structuurplan, komt in zicht.
Deze structuurplannen hebben allen conformiteitstoetsing met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen doorstaan.
Kortom, het RSV zoals dat in 1997 werd uitgetekend was de voorbije jaren én is nog steeds de drijvende kracht en het toetsingskader voor beslissingen inzake ruimtelijke beleid op alle niveaus.
Daarenboven geldt het RSV ook – soms rechtstreeks, soms onrechtstreeks – als toetsingskader voor beslissingen in tal van andere beleidsdomeinen.
Het RSV blijft dus een relevant beleidskader om een kwalitatieve en duurzame ontwikkeling van onze ruimte tot stand te brengen.
En om een evenwichtige en kwalitatieve balans te creëren tussen enerzijds het ruimte-aanbod en anderzijds de ruimtevragen van diverse maatschappelijke activiteiten zoals wonen, werken, industrie, landbouw, natuur en recreatie.
Het is evenwel eigen aan de methode van de structuurplanning dat het beleid continu geëvalueerd wordt.
Zodat er permanent kan worden bijgestuurd op basis van nieuwe evoluties in de samenleving.
Op basis van nieuwe behoeften, trends of uitdagingen.
Ik vind het belangrijk de beleidscontinuïteit van het huidige RSV te bewaken en voort te bouwen op de verwezenlijkingen ervan.
Het is echter ook mijn taak als minister voor Ruimtelijke Ordening om tegelijkertijd te blijven nadenken over de toekomst van onze ruimte in Vlaanderen.
Planning is niet enkel uitvoeren, maar ook én vooral vooruitzien !
Die beleidsoptie werd ook reeds in 2004 genomen bij de opmaak van het regeerakkoord.
Daarin werd enerzijds het engagement genomen om het bestaande RSV verder uit te voeren, en werd tegelijkertijd ook de evaluatie en de voorbereiding van een tijdige herziening ingeschreven.
Zoals u weet en ook kon lezen in zowel vroegere als mijn meest recente beleidsbrief, opteer ik voor een herziening van het RSV via twee parallelle sporen.
Enerzijds werken we aan een grondige en fundamentele herziening op langere termijn. Met als planhorizon 2020-2050.
Met andere woorden, we willen het Vlaanderen van binnen twintig à veertig jaar, nu al samen plannen, vorm en gestalte geven.
En dit via een maatschappelijk gedragen ruimtelijke visie voor Vlaanderen onder de noemer “Ontwerpend Vlaanderen 2020-2050”; door de verkenning van de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor Vlaanderen vanuit een internationaal perspectief.
Om dit langetermijnspoor gestalte te geven en op een wetenschappelijke wijze te onderbouwen, werden verschillende studieopdrachten opgestart en inmiddels ook reeds afgerond. Ik som ze nog even vlug op.
Er was de studie over de feitelijke verweving van functies in Vlaanderen
én de regionale verschillen daarin.
Ook het voorbereidend werk voor een afwegingskader inzake de inplanting van grootschalige multifunctionele vrijetijdsprojecten, is achter de rug.
Net als het studiewerk rond de migratiepatronen in Vlaanderen en het vergelijkend onderzoek waarbij de invloed van ruimtelijke ontwikkelingen in onze buurlanden en –regio’s in kaart werd gebracht. Facetten van dit studiemateriaal zal in het kader van het lanhgetermijnspoor nog worden uitgediept
Tot slot was er ook het studiewerk rond het ‘hergebruik van de woningvoorraad in de klassieke woonwijken uit de jaren 1960-1980’.
Bijkomend is het van groot belang dat in het kader van dit project ook sterk wordt ingezet op een aangepaste overleg- en communicatiestructuur.
Zodat er op alle momenten van het proces overleg en inspraak is van alle maatschappelijke actoren.
Het ruimtelijk onderzoek met het oog op een Vlaanderen anno 2020-2050 moet immers ook gevoed worden vanuit de ervaringen met ruimtelijke netwerken en vanuit de verschillende provinciale en gemeentelijke visies.
Om de resultaten vanuit dit overleg en o.a. de reeds geciteerde studies – waarvan een uitvoerige bespreking later volgt – te verwerken en beleidsmatig te vertalen, wordt een projectorganisatie op poten gezet.
Het gaat om een wisselwerking tussen het beleidsdomein RWO, het Steunpunt Ruimte en Wonen en mijn kabinet.
Vandaar dat ik ervoor opteer om voor “Ontwerpend Vlaanderen 2020-2050” ook een projectleider aan te stellen die een sleutelrol moet vervullen in het valoriseren van de knowhow binnen het beleidsdomein, de visieontwikkeling en de inspraak vanuit de verschillende maatschappelijke actoren.
De selectieprocedure daarvoor is volop aan de gang.
Ik hoop dat einde februari deze projectorganisatie volwaardig van start kan gaan .
Deze werkmethode moet in 2009 resulteren in een wetenschappelijk onderbouwde en maatschappelijk gedragen beleidsnota die kan worden voorgelegd aan de volgende Vlaamse regering.
Zodat die een goede basis heeft voor een grondige herziening van het RSV tijdens de volgende legislatuur.
Collega’s
Parallel aan de voorbereiding van de langetermijnherziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, is het ook steeds mijn bedoeling geweest om zo snel mogelijk een aantal knelpunten uit het huidige RSV weg te werken als een actualisatie door te voeren omwille van maatschappelijke nieuwe noden.
Dit kan via een gedeeltelijke herziening van het huidige RSV waarbij de huidige planhorizon wordt verlengd tot 2012.
Een verlenging van de planperiode met vijf jaar (tot en met 2012) stelt daarenboven het gewest, de provincies en gemeenten in staat hun deel van de uitvoering van het RSV, effectief te realiseren.
Daarenboven kunnen zij zich ook voorbereiden op de herziening van hun structuurplannen.
Het uitstippelen van dit kortetermijnspoor is ingegeven door een aantal vaststellingen.
Zoals ik daarnet al kwam te zeggen, stelde het RSV uit 1997 de planhorizon 2007 voorop.
Dit impliceert ook dat de prognoses van de ruimtebehoeften waarop een antwoord moest worden geboden, ook op basis van deze tijdshorizon werden berekend.
Met andere woorden, bij de opmaak van het RSV werden prognoses tot 2007 gehanteerd.
De actualisatie van het RSV en de verlenging van de planperiode moeten mogelijke onduidelijkheid over de huidige taakstellingen voorkomen.
Het verstrijken van de planhorizon zou immers aanleiding kunnen geven tot de argumentatie dat de eraan gekoppelde cijfermatige taakstellingen “niet meer gelden”, waardoor een beleidsvacuüm ontstaat.
Een bijstelling van de prognoses staat tevens garant voor de continuïteit van het ruimtelijk beleid door de relatie tussen ruimtelijke uitvoeringsplannen en het ruimtelijk structuurplan te verzekeren.
Deze relatie is overigens decretaal vastgelegd.
Buiten het actualiseren van de cijfermatige taakstellingen, wordt de verlenging van de plantermijn ook ingegeven door de vaststelling dat er zich bij de uitvoering van het RSV op domeinen als wonen, werken, mobiliteit en recreatie een aantal acute knelpunten aandienen.
Op basis van interne en externe onderzoeken, synthetiseerde mijn administratie alvast een nota die de basis vormt voor dit programma van actualisatie en herziening.
In deze nota werd gekozen voor een thematische uitwerking:
werken, lijninfrastructuur, wonen als aparte thema’s en twee themaclusters rond ‘toerisme, recreatie en sport’ enerzijds en ‘natuur, landbouw en bos’ anderzijds. In al deze thema’s is het voorbereidend studiewerk en overleg met andere administraties, sectoren, provincies en gemeenten grotendeels achter de rug.
Zo werden bijvoorbeeld voor het thema “wonen” reeds nieuwe bevolkings- en huishoudensprognoses opgemaakt en werd de woningbehoefte en –vraag in relatie tot het aanbod tot 2012 berekend. Dit in combinatie met een onderzoek naar het aanbod aan bouwmogelijkheden en ruimtelijke en maatschappelijke trends inzake migraties, gewijzigde woonwensen en vergrijzing.
Ook werd heel wat research gedaan rond het thema “lijninfrastructuur” met het in kaart brengen en evalueren van de verschillende wegen- spoor en waterwegenselecties en de infrastructuur voor openbaar vervoer. Uiteraard met de bedoeling de knelpunten en de missing links te inventariseren.
Inzake ‘werken’ werd een prognose opgemaakt van hoeveel bijkomend aanbod aan ruimte voor economische activiteiten we in de ruimtebalans tot 2012 kunnen of moeten voorzien.
Rekeninghoudend met de ijzeren voorraad uiteraard.
Ook is onderzoek verricht naar mogelijke ontwikkelingsperspectieven voor bijzondere economische knooppunten.
Voor het thema ‘toerisme, recreatie en sport’ werd eveneens de ruimtebehoefte tot 2012 en het aanbod berekend. Ook is onderzoek gedaan naar mogelijkheden voor verweving en medegebruik van vrijetijdsbesteding.
Tot slot werden ook de knelpunten in functie van de afstemming tussen het RSV en het Natuurdecreet, in kaart gebracht.
Op basis van deze onderzoeken moeten we op korte termijn in staat zijn om zowel het kader als de ruimte te creëren voor nieuwe typologieën van wonen, werken en ontspannen.
Zonder daarbij uiteraard de vele vraagstukken rond mobiliteit en milieu uit het oog te verliezen. Dat is de grote doelstelling die ons bij de kortetermijnherziening van het RSV wacht.
Een herziening waarbij we stilaan in de fase van het beslissen zijn aangekomen.
Het is vandaag dan ook een goed moment om met de commissie RO van gedachten te wisselen over deze herziening.
Vooraleer af te ronden wil ik u ook nog een timing voor de actualisatie en verlenging van de plantermijn tot 2012 van het RSV meegeven.
Een vrij strikte timing die echter nog voldoende ruimte laat om op gepaste tijdstippen – zoals vandaag – met u van gedachten te wisselen, maar die evenzeer voldoende inspraakmogelijkheden biedt aan aan alle partners die bij de beleidsvoorbereiding of de implementatie van het herziene RSV werden of zullen worden betrokken.
Dat zal zo zijn na het nemen van de princiepsbeslissing van de Vlaamse Regering – voorzien rond eind februari – met onder meer de organisatie van plenaire vergaderingen in elke provincie in de tweede helft van mei. Parallel met deze inspraakprocedure worden uiteraard ook alle vereiste adviezen van Vlacoro, Saro, Mina en Serv opgevraagd.
Op die manier zou de herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen met planhorizon 2012 nog voor het zomerreces van dit jaar voorlopig kunnen worden vastgesteld in de schoot van de Vlaamse regering.
Waarna zoals u weet, het openbaar onderzoek een aanvang kan nemen. En ook daar zullen we niet nalaten om zoveel mogelijk inspraakmomenten te voorzien via onder andere een hele resem infovergaderingen die netjes worden verspreid over heel Vlaanderen.
Zes tot maximaal 8 maanden na het begin van het openbaar onderzoek (afhankelijk of het advies van de Vlacoro met een termijnverlenging gepaard gaat) is het dan aan de leden van het Vlaams parlement om een standpunt uit te brengen.
Het herziene Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kan dan vermoedelijk in de periode tussen half mei en half juli 2009 definitief worden vastgesteld door de Vlaamse regering.
Ik zal nu door mijn administratie een meer inhoudelijke stand van zaken laten geven over de thema’s
Ik dank U
donderdag 31 januari 2008




