VVP Colloquium - Provincies maken Ruimte
12 april 2008,
Geachte dames en heren gedeputeerden,
Beste provincieraadsleden,
Dames en heren,
Tijdens het openingswoord daarnet bestempelde uw voorzitter Jos Geuens, het beleidsdomein ruimtelijke ordening als sexy. Ik durf echter niet zover te gaan om te veronderstellen dat die “erotisering” van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening ook afstraalt op het bevoegde politiek personeel dat er zich mee bezig houdt.
Maar het feit dat de VVP hier vandaag een colloquium organiseert rond Ruimtelijke Ordening, geeft alleszins wel aan dat er een groeiende politieke én maatschappelijke aandacht is voor het zorgvuldig omspringen met onze ruimte. Dat is ook logisch. Een goede ruimtelijke ordening belangt immers iedereen aan. En het is de taak van ons allen hier aanwezig, om daar rekening mee te houden en op een evenwichtige en kwalitatieve wijze ruimte te bieden aan alle maatschappelijke activiteiten.
De principes die we daarbij kunnen hanteren, werden vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Het plan dat sinds 1997 het toetsingskader is voor het ruimtelijk beleid in heel Vlaanderen.
Het kan echter niet ontkend worden dat de implementatie van het RSV op zowel gemeentelijk, provinciaal als gewestelijk niveau niet altijd van een leien dakje liep. Ik durf gerust toe te geven dat de decreetgever de taakstelling en de hoeveelheid werk, die met de uitvoering van zowel het RSV als het decreet Ruimtelijke Ordening uit 1999, aan de provincies en gemeenten werd toebedeeld, enorm heeft onderschat. Toch kunnen we gerust stellen dat vooral de jongste jaren flink wat vooruitgang werd geboekt. De drive zit er onmiskenbaar in, zelfs een zekere gretigheid om de nieuwe instrumenten te gaan gebruiken, om een eigen weg uit te stippelen.
Dit is vooral op het vlak van de structuurplanning het geval.
Alle provincies beschikken reeds over een goedgekeurd ruimtelijk structuurplan. En inmiddels komt ook de kaap in zicht van tweehonderd gemeenten die over een goedgekeurd gemeentelijk structuurplan beschikken. De provincie Antwerpen voert het lijstje aan met in reeds 60 van de 70 gemeenten een goedgekeurd plan, Vlaams-Brabant hinkt wat achterop met 24 op 65.
Al deze structuurplannen hebben een conformiteitstoetsing met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen doorstaan. Het RSV was én is dus nog steeds de drijvende kracht en het toetsingskader voor alle beslissingen inzake het ruimtelijke beleid en dat op alle niveaus.
Het is evenwel logisch en noodzakelijk dat het beleid continu geëvalueerd wordt. Zodat er permanent kan worden bijgestuurd. Op basis van nieuwe evoluties in de samenleving. Op basis van nieuwe behoeften, trends of uitdagingen. Planning, dames en heren, is immers niet enkel uitvoeren, maar ook én vooral vooruitzien !
Vandaar dat de Vlaamse regering bij de opmaak van het regeerakkoord besliste om niet enkel het bestaande RSV verder uit te voeren, maar tegelijkertijd ook een evaluatie en de voorbereiding van een herziening van het RSV in te schrijven. We opteren daarbij voor een herziening via twee parallelle sporen.
Zo werken we enerzijds aan een grondige en fundamentele herziening op langere termijn. Met als planhorizon 2020-2050.
Met andere woorden, we willen het Vlaanderen van binnen twintig à veertig jaar, nu al samen plannen, vorm en gestalte geven.
Om dit langetermijnspoor wetenschappelijk te onderbouwen, werden reeds verschillende studies opgestart en afgerond. Zoals bijvoorbeeld de studie over de migratiepatronen in Vlaanderen, het onderzoek over de invloed van ruimtelijke ontwikkelingen in onze buurlanden en het kader voor de inplanting van grootschalige multifunctionele vrijetijdsprojecten.
Parallel aan de voorbereiding van de langetermijnherziening, is het ook de bedoeling om zo snel mogelijk een aantal knelpunten uit het huidige Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen weg te werken. Dit willen we doen via een actualisatie van het RSV, waarbij de huidige planhorizon met vijf jaar wordt verlengd tot 2012.
Dergelijke verlenging stelt niet enkel het gewest maar ook de provincies en gemeenten in staat het nog resterende deel van de uitvoering van het RSV, ook effectief te realiseren. En het geeft aan de provincies en gemeenten eveneens de tijd om zich voor te bereiden op de herziening van hun eigen structuurplannen.
Het uitstippelen van de actualisatie op korte termijn is daarenboven ingegeven door een aantal gewijzigde maatschappelijke noden.
Zoals ik daarnet al kwam te zeggen, stelt het huidige RSV immers de planhorizon 2007 voorop. Dit impliceert dat de prognoses van de ruimtebehoeften, ook op basis van deze tijdshorizon werden berekend. Met andere woorden, bij de opmaak van het RSV werden prognoses tot 2007 gehanteerd.
De actualisatie van het RSV moet mogelijke onduidelijkheden over deze taakstellingen voorkomen. Het verstrijken van de planhorizon zou immers aanleiding kunnen geven tot de argumentatie dat de eraan gekoppelde cijfermatige taakstellingen “niet meer gelden”, waardoor een beleidsvacuüm ontstaat.
Een bijstelling van de prognoses staat tevens garant voor de continuïteit van het ruimtelijk beleid. Door de relatie tussen ruimtelijke uitvoeringsplannen en het ruimtelijk structuurplan te verzekeren. Een relatie die, zoals u weet, decretaal is vastgelegd.
Op basis van interne en externe onderzoeken, synthetiseerde mijn administratie reeds een nota die de basis vormt voor de actualisatie op korte termijn. In deze nota werd gekozen voor een thematische uitwerking met ‘werken’, ‘lijninfrastructuur’ en ‘wonen’ als aparte thema’s en twee themaclusters rond ‘toerisme, recreatie en sport’ en ‘natuur, landbouw en bos’.
Dit moet ons in staat stellen om zowel het beleidskader, als de ruimte, te creëren voor nieuwe typologieën van wonen, werken en ontspannen. Zonder daarbij de vraagstukken rond mobiliteit en milieu uit het oog te verliezen.
Dat is dé doelstelling die ons bij de kortetermijnherziening van het RSV wacht !
Dames en heren,
Mijnheer de voorzitter,
Uiteraard is het de bedoeling dat de Vlaamse regering bij zowel de actualisatie op korte termijn als de herziening op lange termijn, sterk inzet op een aangepaste overleg- en communicatiestructuur. Zodat er op alle momenten van het proces overleg en inspraak is van alle maatschappelijke actoren.
Het ruimtelijk onderzoek met het oog op een Vlaanderen anno 2020-2050 moet immers ook gevoed worden vanuit de ervaringen en visies van de verschillende provincies en gemeenten.
Vandaar dat voor de herziening op lange termijn een projectorganisatie op poten wordt gezet waarbij er een wisselwerking kan ontstaan tussen het agentschap RWO, het Steunpunt Ruimte en Wonen en het brede veld. Daarbij zal ook een projectleider worden aangesteld die een sleutelrol moet vervullen in het valoriseren van de knowhow binnen het beleidsdomein, de visieontwikkeling en de inspraak vanuit de verschillende maatschappelijke actoren.
Ook wat de actualisatie van het RSV op korte termijn betreft, zal er ondanks een vrij strikte timing, nog voldoende ruimte zijn om op geregelde tijdstippen – zoals vandaag – met u van gedachten te wisselen over het ruimtelijk beleid in Vlaanderen.
Nu reeds voorzien we in iedere provincie minstens één extra informatiesessie, naast de decretaal voorziene plenaire vergadering. En ook tijdens het openbaar onderzoek zullen we niet nalaten om zoveel mogelijk inspraakmomenten te voorzien.
Het inzetten op een goede communicatie- en overlegstructuur is trouwens een constante doorheen alle aanpassingen en wijzigingen van het beleidskader inzake ruimtelijke ordening.
Want de plannen van de Vlaamse regering beperken zich niet tot een herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Ook het decreet Ruimtelijke Ordening wordt bijgestuurd met de implementatie van een vernieuwd decreet RO en een gloednieuw decreet Grond- en Pandenbeleid. De Vlaamse regering hechtte gisteren, na drie jaar intensieve voorbereiding, haar principiële goedkeuring aan beide decreten. Het wordt nu voor advies voorgelegd aan de SARO – Woondraad, de SERV en MINARAAD, maar ook aan de VVSG en dé VVP.
Uiteraard heeft de herziening van het vroegere decreet niet de bedoeling, mijnheer de voorzitter, om de zaken nog complexer te maken of de provincies en gemeenten te beknotten in het voeren van een praktijkgericht en duurzaam ruimtelijk beleid.
Integendeel !
Eén van de doelstellingen die bij de herziening van het decreet worden vooropgesteld, is immers net de verdere administratieve vereenvoudiging van alles wat met planning, vergunningen en handhavingsbeleid te maken heeft.
Zo evolueren we met het aangepaste decreet Ruimtelijke Ordening naar nieuwe instrumenten inzake vergunningenbeleid – die niet enkel de bouwheer meer rechtszekerheid moeten bieden – maar die ook een significante daling van de werklast op provinciaal en gemeentelijk niveau zullen teweegbrengen.
Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de invoering van een as-built-attest waarbij marginale afwijkingen van de originele bouwplannen, zonder een bijkomende vergunningsprocedure als vergund worden beschouwd.
Ik denk ook aan de invoering van een nieuwe categorie werken, namelijk die werken waarvoor enkel een meldingsplicht zal gelden. Bijvoorbeeld bij het plaatsen van zonnepanelen op het dakvlak.
Ook niet ontvoogde gemeenten zullen hiervan kunnen gebruikmaken. Ook alle bindende adviezen worden afgeschaft! Voortaan zullen we ook werken met één geïntegreerd decreet RO, zowel voor de ontvoogde als de nog niet ontvoogde gemeenten. Met andere woorden, het decreet van 1996 wordt definitief weggeschreven.
Ook de provincies krijgen een nieuwe taak: de provincie als hét sluitstuk in de beroepsprocedure. Het zal immers decretaal vastliggen dat bij het al dan niet afleveren van een stedenbouwkundige vergunning door een ontvoogde gemeente, de opportuniteitbeoordeling van die beslissing enkel nog kan worden aangevochten op provinciaal niveau. Hiermee nemen jullie een grote verantwoordelijkheid op. Na het provinciale beroep is enkel nog een legaliteitsberoep beroep mogelijk bij een administratief rechtscollege op Vlaams niveau. De Raad van State treedt dan op als een vorm van administratief cassatieberoep. In elk geval de nieuwe procedure zal snel, efficiënt en uniform verlopen.
Ook inzake het planologische luik zijn in het nieuwe decreet RO tal van maatregelen opgenomen die de planlast fel terugdringen. De afschaffing van de jaarlijkse gemeentelijke en provinciale jaarverslagen en –programma’s is daar slechts één van.
Planningsinitiatieven in de natuurlijke – agrarische structuur zijn niet makkelijk, vaak omdat nieuwe bos en natuurgebieden in de plaats van bestaande landbouwgebieden komen. Vandaar dat het nieuwe decreet een eenvoudige en werkbare financiële compensatie of de bestemmingswijzigingscompensatie (BWC) voor de eigenaars van de getroffen landbouwgronden invoert. De gebruikersschade zal via de natuurreglementering voorzien worden.
Een andere maatregel met een zo mogelijk nog veel grotere inpact, is de geïntegreerde planprocedure die we via het nieuwe decreet voorzien.
Ik deel immers uw mening mijnheer Geuens, dat we blijvende aandacht moeten hebben voor het gevaar dat door de steeds toenemende sectorale en Europese milieuwetgeving, bepaalde projecten qua timing onder druk komen te staan.
Bij dit laatste denk ik net als u heel concreet aan de milieueffectenrapportering die door Europa bij de opmaak van quasi alle RUP’s vanaf 1 juni wordt opgelegd.
Dit zou betekenen dat provincies en gemeenten eerst hun structuurplan moeten aanpassen, nadien een Plan-Mer opmaken om dan uiteindelijk over te gaan tot de opmaak van een RUP. Een op zijn minst omslachtige en tijdrovende procedure.
Met de nieuwe geïntegreerde procedure die is ontwikkeld en in het nieuwe decreet zal worden verankerd, wordt het mogelijk deze processen niet consecutief, maar tegelijkertijd en geïntegreerd op te starten. Simulaties leren ons dat we zo een tijdswinst van één tot anderhalf jaar boeken.
Daarmee komen we vanuit Vlaanderen aan alvast één van de provinciale verzuchtingen tegemoet. Daarenboven kan ik u nu ook al meedelen dat ook op de vraag naar instrumenten voor het voeren van een eigen provinciaal grond- en pandenbeleid, een positief antwoord zal volgen.
In het nieuwe decreet Grond- en Pandenbeleid dat simultaan met het decreet RO werd uitgeschreven en goedgekeurd, krijgen de provincies bijvoorbeeld de mogelijkheid om binnen de Vlaamse krijtlijnen een eigen provinciaal kader voor het sociaal woonbeleid vorm te geven. Op die manier stellen we de provincies in staat om een woonbeleid op maat van hun gemeenten én hun behoeften te voeren.
Geachte dames en heren,
Daarnet kon ik u reeds meedelen dat we bij het herschrijven van de structuurplannen, decreten, uitvoeringsbesluiten of omzendbrieven wel degelijk rekening houden met de ervaring en kennis van alle politieke en maatschappelijke actoren.
Het is evenwel mijn overtuiging dat zulks niet enkel kan via weliswaar vele, maar vooral ad hoc-overlegmomenten. Ik ben dan ook van mening dat het een noodzaak is om dit overleg te formaliseren.
Een eerste stap daarin is de opwaardering van de relatie tussen het agentschap RWO en de provincies en gemeenten.
Meer en duidelijke aanspreekpunten zijn daarbij essentieel. Net als acties die het lokaal politiek en maatschappelijk draagvlak voor bepaalde projecten vergroten én die de nodige ondersteuning kunnen bieden aan de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaren.
Dit wil ik realiseren via de uitbouw van een zogenaamd lerend netwerk, dat de naam ‘Atrium-project’ meekreeg.
In samenwerking met de provincies en de gemeenten willen we een netwerk realiseren waarin de drie bestuursniveaus elkaar ontmoeten, van elkaar leren en elkaar ondersteunen. De gemeenten, de provincies en het gewest worden na de ontvoogding immers gelijkwaardige partners binnen het bevoegdheidsdomein Ruimtelijke Ordening.
Het Atriumproject moet ervoor zorgen dat dit driepartijenoverleg structureel mogelijk wordt met alle partners. Concreet zal een atrium maximaal een vijftiental gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaren, één of twee provinciale medewerkers en twee gewestelijke ambtenaren groeperen.
Het is de bedoeling dat deze groep een vijftal keer per jaar samenkomt en informeel praat over de thema’s die eigen zijn aan de zetelende gemeenten in het atrium. Het is ook de bedoeling dat men er kennis uitwisselt over specifieke vragen waarmee de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaren geconfronteerd worden en waarin ook ruimte wordt gelaten voor ondersteuning vanuit de provincie of gewest inzake dossierbehandeling.
Ik heb alvast de opdracht gegeven om de Atria overal zo snel mogelijk op te starten. In de loop van september willen we daarover reeds de eerste provinciale contactdagen organiseren.
Dames en heren,
Zoals u kan vaststellen, zitten er ook voor jullie heel wat veranderingen aan te komen op het vlak van ruimtelijke ordening. Een beleidskader creëren is evenwel één ding. Om het uit te voeren is de goodwill van alle partners nodig. En net zoals ik de voorbije jaren daarbij kon rekenen op de steun van de provincies, reken ik er op dat ook nu iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt en mee aan de kar trekt.
Niet enkel in de uitvoering van de door het Vlaams gewest vastgelegde beleidslijnen maar evenzeer in de creatie van een breed maatschappelijk draagvlak. Immers, zowel de herziening van het Ruimtelijk structuurplan, als de implementatie van het nieuwe decreet RO en het decreet Grond- en Pandenbeleid, wordt een oefening waarvoor meer dan ooit een brede maatschappelijke consensus nodig is. Dit zal allicht een even breed maatschappelijk debat vereisen.
Mag ik vragen dat jullie deze belangrijke rol blijven vervullen, in de hoop dat vele andere actoren in onze maatschappij hier een voorbeeld aan nemen. Waarvoor dank.
Dan rest er mij nog enkel de taak jullie allemaal een vruchtbare en boeiende vergadering toe te wensen.
Ik dank u !
zaterdag 12 april 2008




