Restauratie Kruitmagazijn - Lillo
7 maart 2009,
Geachte dames en heren,
Als er één sleutelmoment is in onze vaderlandse geschiedenis, dat tot eenieders verbeelding spreekt, is het wel de “val van Antwerpen” in 1585.
Onder het bewind van Karel V had Antwerpen zich ontwikkeld tot een zeer welvarende en bijzonder belangrijke havenstad. Tijdens de voorafgaande “gouden eeuw” had de metropool zich ontwikkeld tot een belangrijke haven en handelscentrum. Omstreeks 1560 telde de stad maar liefst 100.000 zielen, een fenomenaal aantal voor die tijd.
Midden de 16de eeuw begon het Calvinisme grote aanhang te krijgen, en na de “beeldenstorm” van 20 augustus 1566 werd Antwerpen het brandpunt van antikatholieke woelingen: de “Antwerpse beroerten”. Duizenden “Roomsen” ontvluchtten de stad, totdat prins Willem van Oranje er de rust kwam herstellen.
De troebelen van de opstand tegen Spanje hebben de stad grote schade berokkend. In 1576, tijdens de zogenaamde “Spaanse Furie” werd de stad geplunderd door muitende Spaanse huursoldaten, die 8000 burgers vermoordden. Antwerpen sloot zich vervolgens aan bij de Pacificatie van Gent en was gedurende de komende 9 jaar min of meer de hoofdstad van de anti-Spaanse opstand.
In 1579, toen Antwerpen ook lid werd van de “Unie van Utrecht”, begon de radicaalste fase van de opstand. De periode van 1579 tot 1585 staat ook bekend als de “Antwerpse Republiek”, onder leiding van “buitenburgemeester” Marnix van Sint-Aldegonde.
Op 17 augustus 1585 werd Antwerpen echter veroverd door de Spaanse stadhouder Alexander Farnese, hertog van Parma, na een beleg dat meer dan een jaar had geduurd. Na die verovering vertrok ongeveer de helft van de Antwerpse bevolking naar Holland. Het bevolkingscijfer daalde tot 45.000.
Hollandse en Zeeuwse schepen versperden de Scheldemonding en sloten de thans in Spaans bezit zijnde stad af van de overzeese handel. De Antwerpse bloeiende handel, kunsten en wetenschappen werden verder ontwikkeld in de Hollandse “gouden eeuw”.
Dames en heren,
U vraagt zich misschien af waarom ik hier in Lillo deze brok Antwerpse geschiedenis kom verkondigen … Welnu, het is net dankzij de Antwerpse hardnekkigheid dat Willem van Oranje in 1578 besloot om forten op te trekken voor de bescherming van de Scheldestad! En zo zag Fort Lillo het licht, samen met een tweelingbroertje aan de overkant van de Schelde, Fort Liefkenshoek.
De ironie wil dat de forten, die eerst moesten dienen voor de bescherming van de metropool, na de val van Antwerpen in Nederlandse handen bleven. Ironisch genoeg gingen ze toen een rol spelen in de blokkade van de Schelde, die nadelig was voor de stad. Lillo en Liefkenshoek werden herhaaldelijk belaagd, beschadigd, heropgebouwd en gemoderniseerd, maar bleven eigenlijk meer dan 2 eeuwen vrij continu in Nederlandse handen.
Pas in de Franse Tijd werd Lillo weer een stukje van Antwerpen, toen het fort volledig werd gemoderniseerd in het kader van de uitbouw van Antwerpen tot Napoleontische oorlogshaven, het “pistool gericht op Engeland”. Nadien kwamen de Hollanders nog even terug, maar na 1839 hadden forten als Lillo geen militaire betekenis meer. En daardoor is fort Lillo bewaard als een bijzonder relict van 2 cruciale fases uit de Antwerpse geschiedenis, als fort met een 16de-eeuwse plattegrond en een Napoleontisch uitzicht!
Dames en heren,
Wie vandaag door het Antwerpse havengebied rijdt, zal merken dat Antwerpen zich sinds de periode tussen Farnese en Napoleon stevig heeft herpakt. Het havengebied strekt zich vandaag dermate uit dat Lillo ondertussen volledig door Antwerpen wordt omarmd, en het fort een historisch “eilandje” is geworden te midden van de modernste infrastructuren.
De vestingwerken, die Lillo jarenlang onneembaar maakten, schermen het dorp nu af van een drastisch veranderde buitenwereld. De wetten van de vestingbouwkunde (krijgsbouwkunde, het bouwen van fortificaties) worden weliswaar een handje geholpen door de erfgoedwetten, want sinds 1981 is het fort ook een beschermd monument.
Na meer dan 400 jaar is Lillo één met de stad waaraan het zijn ontstaan dankt, en waardoor het fort ook betekenis heeft gekregen. Met Lillo heeft Antwerpen een erfgoedparel omarmd, die, zoals de haven eromheen, de metropool heeft gemaakt tot wat ze vandaag is: een bruisende, moderne havenstad.
Het lijkt niet evident om erfgoed te verzoenen met de harde realiteit van een grootschalige, 21ste-eeuwse haven, met alle bijhorende infrastructuur. En het blijft een delicate afweging om de economische ontwikkelingsmogelijkheden van ons dicht bevolkte Vlaanderen zo optimaal mogelijk te benutten, en daarbij andere belangen, zoals bijvoorbeeld de erfgoedzorg, maximaal te ontzien.
Fort Lillo biedt gelukkig het voordeel dat het als bolwerk is geconcipieerd, en als bolwerk bewaard is gebleven, waardoor het eigenlijk in eender welk soort omgeving zou kunnen overleven. Hoewel het fort zijn betekenis natuurlijk ook in sterke mate ontleent aan de nabijheid van de Schelde. En dat heeft Lillo dan weer gemeen met de haven om zich heen. Het huwelijk tussen Lillo en de haven is dus niet zo onlogisch als het op het eerste gezicht wel lijkt!
Dames en heren,
Als monumenten bewaard blijven, is dat niet alleen omdat niemand ze afbreekt, of omdat de overheid ze beschermt.
Een monument kan immers alleen worden bewaard als mensen bereid worden gevonden om erin te investeren, het te restaureren, het te gebruiken en onderhouden. Dat vereist soms wat creativiteit, want monumenten overleven vaak de functie waarvoor ze oorspronkelijk zijn gebouwd. Het vereist ook veel goede wil, want nadenken over een nieuwe bestemming voor een oud gebouw is natuurlijk moeilijker dan een nieuw gebouw op te trekken, dat precies is aangepast aan de noden van het moment.
Gelukkig telt Vlaanderen steeds meer “monumentenwachters”, mensen die niet noodzakelijk professioneel betrokken zijn bij de erfgoedsector, maar die toch de handschoen opnemen en een monument een nieuwe adem geven door er hun goede ideeën op los te laten.
Het is steeds een speerpunt geweest van mijn beleid, om zoveel mogelijk mensen bij erfgoedzorg te betrekken, en het privé-initiatief in de erfgoedsector te stimuleren. Dat gebeurt door voldoende subsidies beschikbaar te stellen, zodat waardevolle initiatieven ook vlot kunnen worden gehonoreerd. Dat gebeurt ook door te werken aan een vlottere dienstverlening door erfgoedambtenaren en erfgoedspecialisten, die ideeën mee gestalte moeten helpen geven, door de weg te wijzen, raad te geven en als het moet zelf de handen uit de mouwen te steken!
Een erfgoedbeleid kan immers alleen maar slagen als krachten worden gebundeld, als mensen die in erfgoed willen “investeren” ook het gepaste gehoor krijgen en op gepaste wijze worden begeleid.
Dat is niet anders hier in Lillo, een voormalig fortje met niet zo heel veel inwoners. Aan erfgoed is er hier geen gebrek, want vier eeuwen militaire geschiedenis hebben natuurlijk hun sporen nagelaten: een omwalde vesting met nog vier van de oorspronkelijk vijf bastions, en binnen de vesten woonhuizen en militaire bouwwerken. Niet altijd de meest gemakkelijke monumenten …
Maar toch haalt Lillo steevast het nieuws, omdat wakkere erfgoedsympathisanten met succes hun schouders zetten onder steeds nieuwe erfgoedinitiatieven …
Vorig jaar heb ik nog de “vang” helpen lichten van de “Eenhoorn”, de windmolen hier vlakbij, die nu draaiend wordt gehouden door enthousiaste vrijwilligers.
Maar ik volg ook al jaren de avonturen van Wim Goossens, de Brusselse ondernemer met een hart voor Lillo, aan wie het fort mede zijn heropleving dankt. Denken we onder meer aan de restauratie van het voormalige gemeentehuis, nu ingericht als “landshuis”, een multifunctioneel seminariecentrum.
Via het landshuis sponsort Wim Goossens ook het “poldermuseum”, dat sinds 1963 is gehuisvest in enkele historische panden in het dorp. Het museum is een waardevol initiatief van een waakzame heemkundige kring die de herinnering aan de Antwerpse polder levendig wil houden. Deze heemkundige kring moest ironisch genoeg zelf een paar keer verhuizen ten gevolge van de havenuitbreiding, maar heeft in Lillo vandaag gelukkig een veilige haven gevonden.
Maar ook het herbestemmen van het kruitmagazijn, waar we ons vandaag bevinden, is een initiatief van Wim Goossens.
Het kruitmagazijn is één van de vele Napoleontische monumenten in Lillo. Het schijnt te zijn gebouwd in 1810, door ingenieur-commandant Gillot, die er ruim een jaar werk aan had. Het gebouw heeft drie meter dikke muren, waarin één miljoen bakstenen zijn verwerkt. Er kon 50 ton buskruit in worden opgeborgen.
Het is zeker geen sinecure om een dergelijk specifiek gebouw een moderne bestemming te geven, zonder te raken aan de eigenheid ervan. Het is dan ook bewonderenswaardig dat Wim Goossens, en zijn kompanen Kris Dockx en Jan Van Leuven toch de moed hebben gehad om iets te willen doen met deze ruimte. Ze zijn niet begonnen met de exterieurrestauratie. Dat is verhoudingsgewijze het gemakkelijkste onderdeel van de uitdaging.
Neen, ze zijn begonnen met het zoeken naar een nieuwe bestemming voor het gebouw, én ze hebben er ook één gevonden. Het kruitmagazijn werd ingericht tot een flexibele, reversibele en multifunctionele ruimte, die ook voor een ruim publiek toegankelijk is. In afwachting van de exterieurrestauratie, waarvoor de voorbereidingen worden getroffen (en waarvoor kan worden gerekend op de hulp van de Vlaamse overheid), kan het vernieuwde kruitmagazijn zichzelf dus nu al op de kaart zetten. Dat is wat heet een dynamische monumentenzorg!
Ik wil dan ook van harte iedereen feliciteren die bij dit project betrokken is, en zou zeggen: op naar het volgende monument.
Ik dank u
zaterdag 7 maart 2009




